Jan Esdré (1748-1823)

ESDRÉ (Jan) werd den 30sten Junij 1748 te Curaçao geboren. Zijn vader, Godfried Carel Esdré, te Heusden geboren, bekleedde ter eerstgemelde plaatse den post van kapitein en kommandant der militie en tweeden lid van den grooten Raad aldaar. Zijne moeder heette Elisabeth Bertrand, dochter van Jan Bertrand, koopvaardij-kapitein, die haar man zeven kinderen schonk, waarvan Jan Esdré de oudste was.

In 1758 werd Esdré met zijn broeder naar het vaderland gezonden, om er hunne opvoeding te voltooijen, eerst te Giessen op eene Fransche kostschool, vervolgens aan de Latijnsche school te 's Hertogenbosch, van waar zij eindelijk naar Leiden vertrokken, om tot het leeraarsambt gevormd te worden. De lust tot de natuurkundige wetenschappen, welke de vader hun van jongs af had ingeboezemd, deed dit plan in duigen vallen, en beiden promoveerden den 18den Junij 1773 tot Doctoren in de Wijsbegeerte en Meesters in de vrije kunsten; Jan na verdediging van zijn proefschrift de Natura Fluminum.

De Hoogeschool verlaten hebbende, gaven de beide broeders gehoor aan het verzoek van eenige liefhebbers der natuurkunde te Dordrecht, om aldaar een physisch collegie op te rigten, en alzoo ook voor anderen nuttig te zijn, waartoe de door Jan Esdré uitgegevene werken mede dienstig waren. Deze vertrok evenwel na eenigen tijd naar Heusden, alwaar zijne ouders zich sedert 1760 met der woon hadden gevestigd, en liet het bestuur van het physisch collegie aan zijnen broeder over.

De verdiensten van Esdré werden in 1780 erkend door het provinciaal Utrechtsch Genootschap, hetwelk hem tot lid verkoos, en in 1787 door zijne benoeming tot Hoogleeraar in de Wijsbegeerte te Franeker, voor welke laatste betrekking hij evenwel, om zijne mindere vaardigheid in het Latijn spreken, moest bedanken. Hij wilde ook zijne oude moeder niet verlaten, wier steun hij was sedert 1783, toen zijn vader overleed.

In het jaar 1787 nam Esdré een werkzaam deel aan de gebeurtenissen des tijds, en hielp mede het huis van Oranje in deszelfs waardigheden, en de rust en orde te Heusden, herstellen, door welke bemoeijingen hij zich den post van ontvanger der convoijen en licenten te Heusden verwierf, welken hij tot 1795 met lof en ijver bekleedde, doch toen door de tijds omstandigheden van denzelven verlaten werd. Wel verkreeg hij dien weder in 1813 na het vertrek der Franschen, doch de omslagtigheid, waarmede dit ambt sedert was ingekleed, noodzaakte hem na eenigen tijd zijn ontslag en pensioen te vragen. Beiden werden hem geschonken, en van nu af aan leefde hij voor zijne studiën en voor zijne natuurkundige verzameling, tot dat hij te Heusden op den 23sten Mei 1823 overleed. De werken door hem geschreven en uitgegeven zijn getiteld:

Het blijkt uit bovenstaande lijst dat Esdré een werkzaam geleerde was. Hij was een naarstig onderzoeker der natuurkundige wetenschappen en bezat eene buitengewone bedrevenheid in het zelf vervaardigen van de meeste werktuigen, bij zijne proeven benoodigd. Als mensch was hij om zijn beminnelijk karakter zeer gezien en algemeen bemind. Ten bewijze daarvan kunnen strekken de onderscheidene betrekkingen, als Burgemeester, Regent van liefdadige gestichten en anderen, waartoe men hem bij afwisseling riep. Hij stelde in het algemeen belang zijne hoogste vreugde en tot bevordering daarvan waren hem geene moeite of opofferingen te groot. Bij dat al bezat hij eene groote nederigheid, en verklaarde steeds slechts ééne zaak te weten: dat hij niets wist, in vergelijking van hetgeen er nog voor hem te leeren was.

Zie C.W. Pape, Iets ter herinner. aan Jan Esdré, 's Hertogenb. 1829. 8o. nagevolgd door Hermans, Geschiedk. Mengelw. over Noord-Brab. D. I. bl. 273-280, en Algem. Konst- en Letterb. 1840. D. II. bl. 195-199.

Bron: Van der Aa, bibliographisch woordenboek (1852-1878)